Omdat de werkgever na de aanzegging diverse nieuwe functies tegen dezelfde voorwaarden heeft aangeboden, vindt hij dat de rollen zijn omgedraaid. Hij vindt dat de werkneemster er zelf voor heeft gekozen geen nieuwe overeenkomst te sluiten. En dat ze daarmee het initiatief heeft genomen om bij de werkgever te stoppen. In zo’n geval hoeft een werkgever geen transitievergoeding te betalen.

De rechter stelt vast dat in dit geval de werkgever het einde van de arbeidsovereenkomst correct heeft aangezegd. Uit de wet volgt dat een transitievergoeding is verschuldigd wanneer het initiatief van het einde van de arbeidsovereenkomst uitgaat van de werkgever. Een werkgever moet dan een transitievergoeding betalen als de arbeidsovereenkomst twee jaar of langer heeft geduurd. Dit geldt ook als de werkgever een tijdelijk contract, dat twee jaar of langer heeft geduurd, niet verlengt.

Met de correcte aanzegging staat vast dat het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de werkgever kwam. Dus moet de werkgever de transitievergoeding betalen.

Tip: Het is verstandig om, voordat u einde contract aanzegt, te bedenken of u een tijdelijke arbeidskracht na einde van het lopende contract voor ander werk wilt inzetten. De maximum transitievergoeding voor 2019 is vastgesteld op € 81.000 bruto (2018: € 79.000).

Bij het onderzoek wordt vastgesteld dat de BV van de kinderen geen contractuele relatie heeft met het assurantiekantoor en er ook geen advieswerkzaamheden voor heeft verricht. De ex-ondernemer heeft de werkzaamheden zelf verricht en slechts met het assurantiekantoor afgesproken dat een deel van de vergoeding aan de BV van de kinderen zou worden betaald. Fiscaal wordt deze vergoeding daarom rechtstreeks aan de ex-ondernemer toegerekend en alsnog bij hem belast met inkomstenbelasting als resultaat uit overige werkzaamheden.

De rechter komt eraan te pas. Deze oordeelt dat inderdaad niet was afgesproken dat de BV van de kinderen een adviseursrol zou krijgen en voor de invulling daarvan de ex-ondernemer zou inzetten. De vergoeding voor de door de ex-ondernemer verrichte werkzaamheden heeft hij daarom fiscaal zelf genoten. Het is daarvoor niet van belang dat hij heeft afgesproken dat het assurantiekantoor zijn vergoeding deels aan een ander betaalt. De werkzaamheden die hij verrichtte zijn zozeer verknocht met zijn persoon, dat hetgeen uit de werkzaamheden voortvloeide enkel hem aanging. Fiscaal gebeuren er bij betaling van de vergoeding twee dingen: de ex -ondernemer ontvangt zijn vergoeding en schenkt deze aan de BV van de kinderen.

Let op: U kunt dus fiscaal belast inkomen uit werkzaamheden genieten, dat u niet in geld ontvangt, maar al hebt weggeschonken voordat u het ontvangt.

Overgangsrecht verkorten maximale looptijd 30%-regeling

Voor het vestigingsklimaat is het van groot belang om werkgevers ruimte te bieden om buitenlandse werknemers aan te trekken. Nederland kent mede daarom de zogenoemde 30%-regeling voor ingekomen werknemers, die het mogelijk maakt onder voorwaarden een forfaitair bedrag van maximaal 30% van het loon onbelast te vergoeden. Om de effectiviteit van deze regeling te vergroten, is in het Regeerakkoord afgesproken de maximale looptijd van deze regeling met drie jaar te verkorten. Het kabinet treft alsnog overgangsrecht voor de groep waarvoor de regeling als gevolg van deze maatregel in 2019 of 2020 zou eindigen.

Intensivering S&O-afdrachtvermindering

Voor een goed vestigingsklimaat is innovatiekracht van vitaal belang. Het kabinet ondersteunt R&D-activiteiten via de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA). Het kabinet geeft deze ondersteuning een impuls door het percentage van de tweede schijf van de S&O-afdrachtvermindering in 2020 te verhogen met 2%-punt van 14% naar 16%. Innovatieve ondernemers krijgen hierdoor een hogere vermindering van de af te dragen loonbelasting, als zij kosten maken en uitgaven doen ten behoeve van speur- en ontwikkelingswerk.

Verdere verlaging hoge vennootschapsbelastingtarief

Het kabinet verlaagt het hoge vennootschapsbelastingtarief (Vpb-tarief) van 22,25% naar 20,5% per 2021. Het hoge Vpb-tarief komt daarmee 0,5%-punt uit onder het eerder in het Regeerakkoord voorgestelde niveau van 21%. Per saldo verlaagt het kabinet het hoge Vpb-tarief met 4,5%-punt. De in het Regeerakkoord voorziene verlaging van het hoge Vpb-tarief in 2019 wordt uitgesteld; het tarief blijft in 2019 25%.

Ondersteuning MKB: verdere verlaging lage vennootschapsbelastingtarief

Als extra impuls voor vooral het MKB verlaagt het kabinet het lage Vpb-tarief (stapsgewijs) verder van 16% naar 15% in 2021. In totaal verlaagt het kabinet het lage vennootschapsbelastingtarief met 5%-punt; het lage Vpb-tarief wordt met 1%-punt extra verlaagd ten opzichte van het Regeerakkoord.

Verzachten rekening-courantmaatregel directeuren-grootaandeelhouders

In de aanbiedingsbrief bij het pakket Belastingplan 2019 is aangekondigd het excessief lenen van de eigen vennootschap door directeur-grootaandeelhouders te ontmoedigen (rekening-courantmaatregel). De eerder geschetste contouren worden verzacht. In plaats van een overgangsregeling voor bestaande eigenwoningschulden worden ook nieuwe eigenwoningschulden van de dga uitgezonderd. Bovenop deze eigenwoningschuld zal een aanvullende drempel van € 500.000 voor de dga en zijn partner gezamenlijk gelden.

Overgangsrecht beperking afschrijving gebouwen in de vennootschapsbelasting

Er wordt overgangsrecht geïntroduceerd om de effecten van de beperking van de afschrijvingsmogelijkheden op gebouwen in eigen gebruik die recent in gebruik zijn genomen te verzachten. Hiermee wordt de door het kabinet voorgestelde beperking van de mogelijkheden om af te schrijven op gebouwen in eigen gebruik verzacht. Als het gebouw voor 1 januari 2019 door de belastingplichtige in gebruik is genomen en op dat gebouw nog geen 3 jaar is afgeschreven, dan mag de belastingplichtige alsnog deze 3 jaar volgens het oude regime blijven afschrijven. Het maakt in die gevallen niet uit of de boekwaarde daardoor onder 100% van de WOZ-waarde komt (uiteraard geldt wel de beperking tot 50% van de WOZ-waarde onder het huidige recht). Deze overgangsmaatregel komt met name terecht bij bedrijven die recentelijk in vastgoed hebben geïnvesteerd.

Verkorting terugwerkende kracht spoedreparatie fiscale eenheid

In het aanhangige wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid was voorzien dat de spoedreparatiemaatregelen in de vennootschapsbelasting en dividendbelasting zouden terugwerken tot en met 25 oktober 2017, 11.00 uur. Als verzachtende maatregel zal het kabinet deze terugwerkende kracht beperken tot en met 1 januari 2018. Daarmee wordt voor de meeste belastingplichtigen voorkomen dat de aangifte vennootschapsbelasting 2017 moet worden ingediend met inachtneming van de (op dit moment nog niet tot wet verheven) spoedreparatiemaatregelen.

In dit geval heeft geen splitsing in appartementsrechten plaatsgevonden. Maar vast staat dat de bovenwoning zelfstandig verhuurbaar is. In zo’n geval is de keuze die de ondernemer volgens zijn boekhouding heeft gemaakt beslissend, tenzij vast staat dat het woongedeelte uitsluitend diende om zelf in te wonen en niet op enigerlei wijze dienstbaar was zijn aan de onderneming.

 

In dit geval is de vraag of de bovenwoning op enigerlei wijze dienstbaar is geweest aan de onderneming. De Belastingdienst komt met de volgende aanknopingspunten. De firmanten gebruikten de tussendeur in de hal beneden om vanuit de woning naar de dansschool te gaan. Ze deden een deel van de was van de dansschool in de bovenwoning. Op de gevel van de bovenwoning staat sinds 1991 een reclame-uiting van de dansschool. In de bovenwoning logeerde regelmatig een jurylid bij het afdansen. Bovendien deden ze in de bovenwoning een deel van de administratie.

De rechter geeft de Belastingdienst gelijk. De bovenwoning is wel degelijk op enigerlei wijze dienstbaar geweest aan de dansschool.

Tip: Staat uw (boven)woning op uw fiscale de balans en maakt u bij verkoop of staking van uw onderneming winst, dan kan het zinvol zijn te beoordelen of de woning achteraf wellicht altijd verplicht privévermogen is geweest. Uit deze uitspraak blijkt dat dit niet mee zal vallen.

Uit de beelden blijkt dat de monteur inderdaad  in zijn eigen bedrijf aan het werk was. Als de werkgever dat hoort, ontslaat hij de monteur direct op staande voet, nog voordat hij het rapport met de beelden ontvangt. De monteur protesteert en vordert bij de rechter doorbetaling van salaris.

Volgens de rechter had de werkgever het rapport met de beelden af kunnen en moeten wachten. Nu stonden er beschuldigende details in de ontslagbrief, die de werkgever wel had gehoord, maar die niet door de beelden werden bevestigd. Daarom klopten de door de werkgever aangevoerde gronden voor het ontslag op staande voet niet. Het ontslag op staande voet vervalt en de werkgever moet enige maanden salaris doorbetalen. 

Maar de werkgever heeft uiteraard voor de zekerheid als tegenverzoek ontbinding van de arbeidsovereenkomst gevraagd wegens ernstig verwijtbaar handelen. Werknemer heeft op flagrante wijze de medische situatie onjuist voorgesteld.

Het gaat er hier volgens de rechter niet om of werknemer in staat is de bedongen arbeid in volle omvang te verrichten, maar of de werknemer willens en wetens de werkgever (en de door de werkgever ingeschakelde bedrijfsarts) heeft voorgelogen en heeft benadeeld. Dat acht de rechter bewezen. De rechter ontbindt de arbeidsovereenkomst en kent geen transitievergoeding en billijke vergoeding toe.

Tip: Ontslag op staande voet is een zware maatregel. U moet het als werkgever onverwijld doen, als daar echt reden voor is. Maar u moet het ook schriftelijk bevestigen en onderbouwen. Een lastig spanningsveld. In deze zaak zegt de rechter hierover: hoewel een ontslag op staande voet onverwijld gegeven dient te worden, is deze eis niet zo strikt dat een werkgever niet tot nauwelijks tijd zou hebben om zijn informatie te vergaren en zich te vergewissen van de feitelijke gegrondheid van de verkregen informatie. Een werkgever dient weliswaar voortvarend te handelen, maar er is gelegenheid voor onder meer het instellen van onderzoek, voor intern overleg en voor het inwinnen van (juridisch) advies.

Hij voert aan dat hij een flinke buffer nodig heeft. Hij is immers voor circa 80% afhankelijk van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand, die gevoelig is voor bezuinigingen, en een collega met wie hij samen het kantoor runt, heeft gedreigd op te stappen. Dat vindt de rechter reële onzekerheden. De buffer van € 50.000 die de Belastingdienst bepleit, voor de vaste lasten en lopende balansverplichtingen van slechts één jaar, is te beperkt. De Belastingdienst is vergeten ook een ruimere buffer, bijvoorbeeld € 100.000 of € 200.000, ter toetsing aan de rechter voor te leggen. Daarom hoeft de rechter zich daar niet over uit te spreken. De advocaat mag de volledige € 390.000 tot zijn ondernemingsvermogen blijven rekenen.

Tip: Sparen in uw onderneming kan fiscaal gunstig zijn. De Belastingdienst kan proberen te bewijzen dat u duurzaam overtollige liquiditeiten op uw balans hebt staan. 

De hoogste rechter heeft hierover een belangrijke uitspraak gedaan. De bestaande arbeidsovereenkomst is in dit geval in feite gedeeltelijk beëindigd. Daarom dient de werkgever naar evenredigheid van de omvang van die beëindiging een transitievergoeding te betalen.

De rechter vindt dit gerechtvaardigd in het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer. Hierbij valt te denken aan het noodzakelijkerwijs gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden en aan blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

Het maakt dan niet uit of de vermindering van de arbeidsduur heeft plaatsgevonden in de vorm van gedeeltelijke beëindiging, algeheel ontslag gevolgd door een aangepaste arbeidsovereenkomst of aanpassing van de bestaande arbeidsovereenkomst.

Let op: U kunt als werkgever dus een gedeeltelijke transitievergoeding verschuldigd zijn als u de arbeidsduur van een werknemer vermindert wegens bijzondere omstandigheden. Het moet een vermindering van de arbeidstijd met ten minste twintig procent betreffen die naar redelijke verwachting blijvend zal zijn. De gedeeltelijke transitievergoeding wordt berekend naar evenredigheid van de vermindering van de arbeidstijd en gaat uit van het loon waarop voorheen aanspraak bestond.

In het Belastingplan is bevestigd dat u, als u erin slaagt om in 2018 vooruit te factureren voor diensten en leveringen in 2019, niet in 2019 wordt geconfronteerd met een naheffing van 3% BTW.

Voor kleine ondernemers kennen we de kleine ondernemersregeling (KOR). Deze wordt met ingang van 2020 sterk vereenvoudigd. Een ondernemer met een omzet van minder dan € 20.000 kan kiezen voor toepassing van de KOR. Dat betekent: geen BTW in rekening brengen aan afnemers, geen BTW-aftrek, geen BTW-aangifte en geen administratieve verplichtingen voor de BTW. Uw keuze voor de KOR kunt u slechts eenmaal per drie jaar herzien.

Wilt u per 1 januari 2020 de nieuwe KOR toepassen, dan kunt u dit vanaf 1 juni 2019 tot 20 november 2019 melden bij de Belastingdienst. Bij een melding na 20 november 2019 gaat de KOR voor u pas gelden op of na 1 april 2020.

Tip: De nieuwe kleine ondernemersregeling gaat ook gelden voor verenigingen, stichtingen en BV’s.

Anders dan bij de bijtelling voor de bedrijfsauto, gelden bij de bedrijfsfiets geen uitzonderingen voor zeer beperkt privégebruik, woon-werkverkeer of fietsen die door aard of inrichting redelijkerwijs niet voor privé te gebruiken zijn.  

Een werkgever die werknemers uit het buitenland in dienst heeft, kan onder voorwaarden gebruik maken van de zogenaamde 30%-regeling. Dat is een vaste belastingvrije vergoeding voor bepaalde extra kosten van de werknemer, ongeacht de werkelijke kosten. Met ingang van 1 januari 2019 gaat de maximale looptijd van deze regeling van acht naar vijf jaar, ook voor bestaande gevallen.

Tip: Als u een werknemer uit het buitenland schoolgeld voor een internationale school vergoedt voor het schooljaar 2018/2019, dan blijft dat ook na 1 januari 2019 onbelast indien de vergoeding plaatsvindt binnen de oorspronkelijke looptijd van de 30%-regeling.