De bevoegdheid om bij de kantonrechter zo’n verzoekschrift in te dienen vervalt drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Betekent de opzegging per 1 maart dat de overeenkomst op 28 februari eindigt, of op 1 maart? In dat laatste geval zou het verzoekschrift wel op tijd zijn ingediend.

Het Gerechtshof is van oordeel dat de werknemer redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat door het ontslag per 1 maart 2018 de arbeidsovereenkomst eindigde op 1 maart 2018. Per 1 maart betekent immers zoiets als Vanaf 1 maart of Met ingang van 1 maart.

Als de werkgever het dienstverband wilde laten eindigen op 28 februari 2018, dan had hij dat maar duidelijker moeten aangeven, bijvoorbeeld door in de opzeggingsbrief expliciet te vermelden dat daarmee de arbeidsverhouding zou eindigen op 28 februari 2018.

Dit betekent dat het verzoekschrift om toekenning van een transitievergoeding op tijd is ingediend.

Tip: Een ontslagen werknemer kan, als hij een hogere transitievergoeding wenst dan de werkgever wil betalen, binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd een verzoekschrift indienen bij de rechter. Na drie maanden kan dat niet meer.

Hoe ziet het nieuwe systeem er uit?
Vermogen wordt onderverdeeld in spaargeld, overige bezittingen en schulden. Is het vermogen hoger dan een drempel van 30.846 euro per belastingplichtige, dan is het geheel belast. Het forfaitaire rendement op spaargeld wordt 0,09 procent, op overige bezittingen 5,33 procent en op schulden (min) 3,03 procent. Het zo bepaalde forfaitaire inkomen wordt opgeteld en verminderd met het heffingsvrije inkomen van 400 euro per belastingplichtige. Dan hebben we het belastbare inkomen box 3, dat wordt belast tegen een tarief van 33 procent.

Hoe ziet dit sommetje eruit als een alleenstaande een pand verhuurt?
Stel, een alleenstaande verhuurt een pand met een waarde van 250.000 euro en een schuld van  50.000 euro. Er is dan een vermogen van 200.000 euro. Dat is hoger dan de drempel van 30.846 euro. Dus het box 3 vermogen is 200.000. Het forfaitaire rendement over overige bezittingen bedraagt 5,33 procent, en dat over schulden 3,03 procent. Dat betekent een inkomen in box 3 van 11.810 euro.  Dat verminderen we met het heffingsvrije inkomen van (maximaal) 400 euro. Resteert een belastbaar inkomen box 3 van 11.410 euro. Dat wordt belast tegen 33 procent. De belasting box 3 is 3.765 euro.  

Hoe verhoudt zich dit tot de huidige belastingheffing?
Dezelfde alleenstaande verhuurt een pand met een waarde van 250.000 euro en een schuld van  50.000 euro. Er is dan een vermogen van 200.000 euro. Daar trekken we het heffingsvrije vermogen van 30.846 euro vanaf. Dan resteert een rendementsgrondslag van 169.154 euro. Bij deze grondslag hoort een forfaitair rendement van 5.376, dat wordt belast tegen 30 procent. De belasting box 3 is nu 1.612 euro. Dus: in het voorgestelde systeem betaalt deze alleenstaande ruim 2,3 maal zoveel belasting box 3.

Gelden de drempel en het heffingsvrije inkomen per belastingplichtige?
Jazeker. Bij een echtpaar gaat het dus om een drempel van 61.692 euro en een heffingsvrij inkomen van 800 euro.

Als ik mijn overige bezittingen op 31 december 2021 heb omgezet in spaargeld, bespaar ik box 3 belasting?
Dat klopt. Over 100.000 euro overige bezittingen betaalt u immers 1.626 euro belasting box 3 en over 100.000 euro spaargeld helemaal niets. Als u vervolgens na 1 januari uw spaargeld weer omzet in beter renderende beleggingen, pleegt u peildatumarbitrage. Het Ministerie van Financiën gaat nog een goede manier bedenken om deze peildatumarbitrage te voorkomen.

Let op: Het is nog geen 2022. Het voorstel zal ongetwijfeld nog gewijzigd en aangevuld worden. We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

Hoe ziet het nieuwe systeem er uit?
Vermogen wordt onderverdeeld in spaargeld, overige bezittingen en schulden. Is het vermogen hoger dan een drempel van 30.846 euro per belastingplichtige, dan is het geheel belast. Het forfaitaire rendement op spaargeld wordt 0,09 procent, op overige bezittingen 5,33 procent en op schulden (min) 3,03 procent. Het zo bepaalde forfaitaire inkomen wordt opgeteld en verminderd met het heffingsvrije inkomen van 400 euro per belastingplichtige. Dan hebben we het belastbare inkomen box 3, dat wordt belast tegen een tarief van 33 procent.

Hoe ziet dit sommetje eruit bij 440.000 spaargeld van een alleenstaande ?
Er is een vermogen van 440.000 euro spaargeld. Dat is hoger dan de drempel van 30.846 euro. Dus het box 3 vermogen is 440.000. Het forfaitaire rendement over spaargeld bedraagt 0,09 procent, dat betekent een inkomen in box 3 van 396 euro. Dat verminderen we met het heffingsvrije inkomen van (maximaal) 400 euro. Resteert een belastbaar inkomen box 3 van 0 euro.  

Hoe verhoudt zich dit tot de huidige belastingheffing?
Dezelfde alleenstaande heeft 440.000 spaargeld. Daar trekken we nu het heffingsvrije vermogen van 30.846 euro vanaf. Dan resteert een rendementsgrondslag van 409.154 euro. Bij deze grondslag hoort nu een forfaitair rendement van 15.504 euro, dat wordt belast tegen 30 procent. De belasting box 3 is nu 4.651 euro. Dus: in het voorgestelde systeem bespaart deze alleenstaande 4.651 euro.

Geldt het bedrag van 440.000 euro per belastingplichtige?
Jazeker. Bij een echtpaar gaat het dus om in totaal 880.000 euro spaargeld.

Zit er een addertje onder het gras?
Het Ministerie van Financiën heeft berekend dat het nieuwe systeem budgetneutraal uitpakt als het tarief van nu 30 procent wordt verhoogd naar 33 procent. Daarbij is al rekening gehouden met een heffingsvrij inkomen van 400 euro per belastingplichtige. Mensen die hun vermogen belegd hebben in overige bezittingen en dat gefinancierd hebben met schulden, gaan meer betalen dan nu. Zij financieren de hoge vrijstelling voor spaargelden.

Let op: Het is nog geen 2022. Het voorstel zal ongetwijfeld nog gewijzigd en aangevuld worden. Zo gaat het Ministerie van Financiën nog een goede manier bedenken om zogenaamde peildatumarbitrage te voorkomen. Wat is dat? Het ligt voor de hand om overige bezittingen (forfaitair rendement 5,33 procent) vlak voor de peildatum om te zetten in spaargeld (forfaitair rendement 0,09 procent), en dat vlak na de peildatum weer te wijzigen. We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

In een Kennisdocument geeft de overheid informatie over de Wet tegemoetkomingen loondomein. Onlangs is een nieuwe versie van dit document beschikbaar gesteld. Daarin is de tabel voor de tegemoetkoming verhoging jeugdloon aangepast. Ook is de berekening van de uurloongrenzen gewijzigd. Er is bovendien een nieuwe vraag-en-antwoordparagraaf opgenomen.

Tip: Wilt u snel goede informatie over de tegemoetkomingen in het loondomein, raadpleeg dan het Kennisdocument.

De vraag is of de ingeschreven onderneming fiscaal een bron van inkomen vormt. Er is sprake van deelname aan het economisch verkeer. Er is ook een oogmerk bij de ambtenaar om met de onderneming voordeel te behalen. Maar is objectief gezien wel te verwachten dat het voordeel in de toekomst redelijkerwijs kan worden behaald? Aan deze eis moet voor fiscaal ondernemerschap ook zijn voldaan.

Wat heeft de ambtenaar eigenlijk in zijn onderneming gedaan? Hij heeft in twee jaar uitsluitend zelfstudie verricht, bestaande uit het thuis oefenen met een grafisch vormgevers-programma. Daarna heeft hij de onderneming bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven.

Waren deze werkzaamheden voorzienbaar blijvend verliesgevend, of kon redelijkerwijs worden verwacht dat zij in de toekomst positieve opbrengsten zouden opleveren?

Vast staat dat de activiteiten steeds tot negatieve resultaten hebben geleid. Vast staat ook dat de ondernemer nooit klanten heeft gehad. Volgens de rechtbank is in deze situatie geen sprake van de vereiste objectieve voordeelsverwachting. Dit betekent dat de activiteiten geen bron van inkomen vormen. De Belastingdienst heeft de correcties terecht toegepast.

Tip: Een onderneming in de opstartfase vergt meestal enig onderzoek of studie. Van omzet is nog niet direct sprake. Wel zijn er kosten en wordt er tijd besteed. Die wil de ondernemer al vast fiscaal in aanmerking nemen. Het is dan aan de ondernemer om aannemelijk te maken dat de onderneming objectief gezien in de toekomst winst kan gaan genereren. Als adviseur helpen we u hier graag bij.

Bij de rechter spitst het geschil zich toe op de simpele vraag of pannenkoeken en poffertjes zijn aan te merken als koek dan wel of zij naar de aard van de verwerkte grondstoffen en/of de wijze van verwerking van de grondstoffen vergelijkbaar zijn met koek. Het Bedrijfspensioenfonds Zoetwaren mag bewijzen dat het bedrijf onder haar werkingssfeer valt. Nogmaals: het gaat hier om een vordering van 8,5 miljoen euro, exclusief rente.

Het Bedrijfspensioenfonds verwijst naar Wikipedia en Van Dale. Volgens de rechter spreken die elkaar tegen. Hij acht het duidelijk dat pannenkoeken en poffertjes volgens algemene maatschappelijke opvattingen niet als koek worden gezien of daaraan gelijk kunnen worden gesteld. Zowel wat betreft de toepassing, de uiterlijke verschijningsvorm, de structuur en de smaak als naar samenstelling en bereidingswijze zijn er essentiële verschillen tussen enerzijds pannenkoeken en poffertjes en anderzijds koek. In de uitspraak worden vervolgens enige pagina’s besteed aan de verschillen.

De vordering van het bedrijfspensioenfonds Zoetwaren wordt daarom afgewezen.

Tip: Soms valt een bedrijf verplicht onder een Bedrijfspensioenfonds. Het is dan in het belang van het fonds dat alle werknemers worden aangemeld en dat er premie wordt betaald. Zoals deze uitspraak  laat zien, is niet altijd op voorhand duidelijk of een bedrijf onder een bedrijfspensioenfonds valt en zo ja, onder welk. Nogal banale definitiekwesties (zoals: is een poffertje koek) bepalen soms de uitkomst. De belangen zijn groot. Laat u daarom goed adviseren over het pensioen van uw werknemers.

De Belastingdienst ziet uiteraard beide kanten. Bij het echtpaar een aftrekbare eigen woningrente van 9 procent. Bij de ouders een belegging in Box 3 die 9 procent rendeert. Reden om de zakelijkheid van het rentepercentage ter discussie te stellen. De bewijslast ligt bij het echtpaar, omdat het een geclaimde aftrekpost betreft.

Tijdens de zitting bij de rechter komt de Belastingdienst met stukken waaruit blijkt dat ten tijde van het afsluiten van de geldlening een rentepercentage in de bandbreedte van rond de 3 procent gangbaar was voor een lening met zekerheidsstelling en een rentevaste periode van 15 jaar. Het ontbreken van zekerheid rechtvaardigt echter in het algemeen een hoger rentepercentage, omdat door de geldverstrekker een hoger risico wordt gelopen met betrekking tot het nakomen van de betaalverplichting van de geldlener.

Volgens de rechter is het risico dat het echtpaar de geldlening niet zou kunnen terugbetalen, ofwel afwezig ofwel niet groot. Bovendien verklaart de vader van de man bij de rechter dat aan de gekozen inhoud van de geldleningovereenkomst ten grondslag ligt dat hij, met het oog op inkomensvorming mede in het kader van pensioen, de voorkeur gaf aan een hogere rentevergoeding dan aan een overeen te komen zekerheidsstelling.

De conclusie luidt dat het rentepercentage van 9 procent onzakelijk is. De rente van 4,5 procent die de Belastingdienst wel wil accepteren, acht de rechter redelijk.

Ook in hoger beroep slaagt het echtpaar er niet in om de zakelijkheid van het hoge rentepercentage aannemelijk te maken.

Tip: Een familielening kan worden gebruikt voor zogenaamde boxarbitrage: een aftrekpost bij familielid 1, leidt tot in box 3 laag belast inkomen bij familielid 2. Hoe hoger de rente, hoe hoger het fiscale voordeel binnen de familie. De rente moet wel binnen zakelijke grenzen blijven. De bewijslast hiervan rust op degene die de rente betaalt.

In de aangifte inkomstenbelasting rekent de vrouw de eigen woning voor 100% aan zichzelf toe. De Belastingdienst corrigeert dat en rekent de woning voor 50% aan haar toe. Mevrouw en haar ex-partner waren gedurende 2016 immers ieder voor 50% juridisch eigenaar van een woning.

De rechter stelt de vrouw in het gelijk. Uit de echtscheidingsbeschikking volgt dat de waardeverandering van de woning vanaf 1 januari 2014 volledig voor rekening en risico van de vrouw komt, behoudens in de situatie dat ze de woning per 1 januari 2017 niet zou kunnen overnemen. Deze situatie heeft zich echter niet voorgedaan.

Daarnaast is in de echtscheidingsbeschikking bepaald dat de vrouw vanaf 1 januari 2014 alle lasten van de woning voor haar rekening neemt, hetgeen in praktijk ook is gebeurd.

Daarmee staat vast dat de vrouw met ingang van 1 januari 2014 de volledige economische eigendom van de woning heeft. Op basis van de wet moet de woning bij de vaststelling van de belastbare inkomsten uit eigen woning voor 100% aan haar worden toegerekend. De omstandigheid dat ze in 2016 slechts voor 50% juridisch eigenaar van de woning was, doet daar niet aan af.

Tip: De fiscale regelgeving rond echtscheiding is ingewikkeld. De Belastingdienst gaat ook wel eens de fout in, zoals blijkt uit deze uitspraak. Soms kunt u in overleg vanuit gezamenlijk eigenbelang beiden fiscaal voordeel behalen door de feitelijke, economische en juridische gang van zaken tijdig bij te sturen. Raadpleeg daarom op tijd uw fiscaal adviseur, als een echtscheiding aanstaande is.

Bewezen wordt dat uit de inschakeltijden van het alarm blijkt dat hij achttien maal een tot twee uur te laat is begonnen. Ook wordt vastgesteld dat de manager bewust telkens als aanvangstijd van zijn werk de normale openingstijd in de werktijdenregistratie heeft ingevoerd. Hij wordt geschorst en vervolgens op staande voet ontslagen omdat hij zo ten onrechte loon heeft gehad over niet gewerkte uren. Bovendien heeft hij de werkgever benadeeld door de winkel te laat te openen. Ook heeft hij zijn voorbeeldfunctie als winkelmanager veronachtzaamd.

De rechter bevestigt dat deze werkwijze een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Bovendien is sprake van zodanig ernstig verwijtbaar handelen dat geen transitievergoeding wordt toegekend.

De werkgever vordert ook omzetschade. Die wordt niet toegekend omdat niet wordt bewezen dat bij het telkens te laten komen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid.

Tip: Soms kan een werknemer er, in zijn beleving, niets aan doen dat hij te laat komt. Als openen van de winkel zijn verantwoordelijkheid is, moet hij dat echter zelf voorkomen. Als hem dat niet lukt en hij voert de niet gewerkte uren in als werktijd, levert uiteraard regelrechte fraude op. Reden voor ontslag op staande voet.

De vraag is of het in het belastbaar inkomen uit box 3 betrekken van vermogen dat in de maand van de peildatum is gebruikt voor de aflossing van de hypotheekschuld leidt tot een individuele en buitensporige last. Als dat het geval zou zijn, zou de belasting moeten worden gecorrigeerd.

De rechter maakt korte metten met deze redenering. Voor de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting box 3 over het gehele jaar 2016, wordt uitgegaan van de hoogte van het box 3-vermogen op de peildatum 1 januari 2016.

Box 3-vermogensmutaties, positief of negatief, na de peildatum zijn bij het vaststellen van de belastingschuld over het desbetreffende jaar in beginsel niet van belang. Dit is inherent aan de keuze van de wetgever. De situatie van belanghebbende, waarin hij er voor heeft gekozen de spaartegoeden gedurende het jaar aan te wenden, wijkt niet wezenlijk af van de situatie van andere belastingplichtigen met box 3-vermogensmutaties. Van een last die zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen is hier dan ook geen sprake. Dat de keuze van belanghebbende om de hypotheekschuld op zijn eigen woning af te lossen legitiem was, doet hier niet aan af.

Tip: Als deze particulier voor 1 januari had afgelost, had hij een paar duizend euro belasting bespaard. Het kan verstandig zijn om niet al te lang na de zomervakantie uw financiële en fiscale positie eens met ons te bespreken. Zo kunnen we bepalen wat zinvol en mogelijk is, en welke maatregelen u beter voor en welke u beter na 31 december 2019 kunt nemen.