Omdat man en vrouw in gemeenschap van goederen waren getrouwd, hadden de erfgenamen het nagevorderde fiscale voordeel in haar overlijdensaangifte inkomstenbelasting moeten verwerken. Dat is niet gebeurd.  Wel hebben de erfgenamen de helft van de waarde van de aandelen correct in de aangifte erfbelasting opgenomen.  De erfgenamen gaan naar de rechter.

Navorderingsaanslag niet mogelijk?
Ten eerste stellen ze dat de Belastingdienst geen navorderingsaanslag mag opleggen. Waarom niet? Omdat de Belastingdienst had kunnen weten dat sprake was van een aanmerkelijk belang waarover bij overlijden zou moeten worden afgerekend. De Belastingdienst had de aangifte inkomstenbelasting zelf beter moeten controleren. De rechter oordeelt echter dat de aangifte inkomstenbelasting mogelijk juist was. De Belastingdienst hoefde er niet aan te twijfelen. Zelfs het feit dat er een jaar eerder bij de echtgenote inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte was vermeld, betekent niet dat de Belastingdienst de overlijdensaangifte op dit punt nader had moeten onderzoeken.

Navorderingsaanslag te hoog?
Ten tweede stellen de erfgenamen dat de navorderingsaanslag te hoog is. Voor ruim € 151.000 zou sprake zijn van ondernemingsvermogen, waarvoor een doorschuiffaciliteit geldt. In het bewijs dat sprake is van ondernemingsvermogen slagen de erfgenamen echter niet. Ook slagen ze er niet in te bewijzen dat de werkelijke waarde van de aandelen lager ligt dan de intrinsieke waarde.

Oordeel rechter
De rechter komt tot de conclusie dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

Tip: Als aandelen in een B.V. deel uitmaken van een huwelijksgoederengemeenschap, dient ook fiscaal afgerekend te worden als de echtgenoot die niet zelf aandeelhouder is overlijdt. Soms zijn doorschuiffaciliteiten van toepassing. Het is verstandig om tijdig de situatie bij eventueel overlijden in kaart te brengen. Daar helpen we u uiteraard graag bij.

Kennisveroudering nieuw sociaal risico
Kennisveroudering is, in een wereld die snel verandert, een nieuw sociaal risico dat bestreden moet worden. Volgens de Commissie is er nu geen regeling die alle werkenden, ongeacht de contractvorm, adequaat beschermt tegen het risico van kennisveroudering. Het bestaande fundament moet daarom worden aangevuld, zodat alle werkenden bij kennisveroudering, basiszekerheid wordt geboden.

Ken iedereen persoonlijk ontwikkelbudget toe              
Alle werkenden krijgen bij geboorte een gelijk individueel ontwikkelbudget dat beschikbaar is gedurende de gehele loopbaan. Iemand die een opleiding afrondt in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo’er) houdt hiervan na zijn schoolperiode meer over dan een universitair geschoolde werkende vanwege het verschil in kosten tussen beide opleidingen. Mensen kunnen hun ontwikkelbudget gebruiken om bij te blijven in hun vak of om een nieuw beroep te leren. Een verplichte, regelmatig terugkerende loopbaan-APK activeert werkenden hun budget te gebruiken zodat ze wendbaar en inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt.

Het is van belang dat het ontwikkelbudget gedurende de loopbaan van de werkende aangevuld wordt. De Commissie adviseert de transitievergoeding om te vormen tot een vergoeding voor extra persoonlijk ontwikkelbudget.

Creëer een loopbaanwinkel die alle werkenden ondersteunt
Om te bewerkstelligen dat het persoonlijk ontwikkelbudget door werkenden daadwerkelijk gebruikt gaat worden, moet een cultuuromslag plaatsvinden. De Commissie adviseert een landelijke organisatie op te richten die werkenden hierbij persoonlijke en onafhankelijke begeleiding en ondersteuning geeft. Via loopbaanwinkels of werkhubs moet Individuele loopbaanbegeleiding beschikbaar komen.

Kom tot een geïntegreerde aanpak van het risico van kennisveroudering
De Commissie beveelt aan het persoonlijk ontwikkelbudget en de loopbaanwinkel te integreren in het arbeidsrecht en het sociale zekerheidsrecht. Zo bereikt deze nieuwe aanpak ook groepen die hun menselijk kapitaal wel willen uitbreiden maar daar uit zichzelf onvoldoende in slagen.

Het gaat om wederkerigheid. Deze bouwsteen is er op gericht dat:

  • werkenden zich blijven ontwikkelen, inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt en werkgevers dat ook faciliteren;
  • werkenden met fysiek of psychisch zware beroepen zich tijdig omscholen en zo actief bijdragen aan het vermijden van het risico op arbeidsongeschiktheid.

Tip: Het kabinet komt uiterlijk 1 april met een reactie. De Commissie heeft overigens lijnen willen uitzetten voor meerdere kabinetsperioden. We houden u op de hoogte.

Volgens de B.V. is geen sprake van een (definitieve) onttrekking aan haar vermogen, omdat de DGA dit bedrag vrijwel direct kan terugbetalen, onder meer door herfinanciering bij een professionele geldverstrekker. De Belastingdienst denkt hier anders over.

Wanneer is een opgenomen bedrag een uitdeling?
Als een DGA voor persoonlijke doeleinden gelden uit de kas van de B.V. opneemt, kan daarin een winstuitdeling zijn gelegen als het niet de bedoeling was geweest dat de DGA het opgenomen bedrag aan de B.V. schuldig zal worden of het meteen duidelijk moet zijn geweest dat hij het opgenomen bedrag niet kan terugbetalen of verrekenen.

Als de B.V. aan de DGA een lening verstrekt waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, moet deze lening worden aangemerkt als een uitdeling. Het bedrag van de lening heeft dan immers het vermogen van de vennootschap definitief verlaten. Dit wordt niet anders indien het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering uit de B.V.  of een opbrengst uit verkoop van de aandelen.

Bewijslast
Voor het in aanmerking nemen van een uitdeling, zal de Belastingdienst feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken waaruit volgt dat de lening niet kan of zal worden afgelost en de B.V. en de DGA zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn.

Afweging rechter
De DGA kan de toename van de rekening courantschuld niet terugbetalen omdat hij, los van de aandelen van de B.V. zelf, een zwaar negatieve vermogenspositie heeft. Volgens de DGA moet de waarde van de aandelen echter wel worden meegerekend. Deze opvatting volgt de rechtbank niet.

De stelling van de B.V. dat de DGA een lening bij een bank zou kunnen krijgen om de toename van de rekening-courantschuld (deels) terug te betalen, volgt de rechtbank ook niet. De DGA heeft deze mogelijkheid immers niet benut zodat deze situatie zich hier niet voordoet.

De Belastingdienst heeft aannemelijk gemaakt dat de toename van de rekening-courantvordering niet volledig kan of zal worden afgelost, omdat de DGA niet over voldoende vermogen en inkomsten beschikte om uit andere middelen dan het aandelenbezit in de B.V. de aflossing te voldoen.

Tip: Hebt u een schuld aan uw B.V., houd er dan rekening mee dat de Belastingdienst het realiteitsgehalte jaarlijks kan toetsen. Meer lenen dan u feitelijk kunt aflossen, is fiscaal een probleem. We adviseren u graag over uw financiële verhouding met uw B.V.   

Overzichtelijk stelsel van contractvormen (drie rijbanen)
De Commissie adviseert om te komen tot drie soorten contracten, zodat het voor alle partijen duidelijk is welk type contact hoort bij welk type werk:

  • overeenkomsten voor zelfstandigen die werken voor eigen rekening en risico;
  • arbeidsovereenkomsten voor werknemers die voor (on)bepaalde tijd werken in dienst van een werkgever;
  • uitzendovereenkomsten voor werknemers in dienst van een uitzendbedrijf die tijdelijk werk verrichten dat niet of moeilijk voorzienbaar is.

Afbakening tussen werknemers en zelfstandigen

Naast het verkleinen van de verschillen in behandeling tussen werknemers en zelfstandigen  zijn geschikte en eigentijdse criteria nodig om deze categorieën werkenden van elkaar te onderscheiden. De manier waarop het werk feitelijk wordt uitgevoerd, komt centraal te staan. De contractvorm en de wil van partijen zijn niet langer relevant. Het gezagscriterium wordt verduidelijkt en gemoderniseerd.

Oneigenlijk gebruik van driehoeksverhoudingen tegengaan
In beginsel is de feitelijke werkgever van de werknemer ook juridisch de werkgever, met de bij hem geldende arbeidsvoorwaarden. Gebruikmaken van driehoeksrelaties, zoals payrolling, contracting, detachering of uitzending, waarbij de contractuele werkgever een andere partij is dan de eigenaar of exploitant van de onderneming waarin of waarvoor de werknemer werk verricht, kan niet zomaar meer. Concurrentie op loonkosten via driehoeksverhoudingen wordt zo tegengegaan.

Bij uitzending door uitzendbureaus is het gerechtvaardigd dat een ander werkgever is, namelijk de uitzendwerkgever. Het uitzendbureau heeft namelijk een actieve rol bij het bijeenbrengen van de vraag naar en het aanbod van tijdelijk werk dat qua duur en omvang van tevoren niet of moeilijk te overzien is (allocatiefunctie). Hierbij blijft een verlicht ontslagregime gelden. Dit betekent niet dat de uitzendwerknemer tegen minder gunstige arbeidsvoorwaarden werkzaam is dan eigen werknemers van de opdrachtgever.

Vergroot de opeisbaarheid van rechten voor werkenden

Een ordelijke en eerlijke arbeidsmarkt is overzichtelijk. Zo kunnen werkenden hun rechten beter opeisen. De regels zijn kenbaar, duidelijk en goed te handhaven door bevoegde instanties. Werkenden krijgen laagdrempelige hulp om hun rechten te effectueren (arbeidsombudsman), zodat zij krijgen waarop zij recht hebben. 

Tip: Het kabinet komt uiterlijk 1 april met een reactie. De Commissie heeft overigens lijnen willen uitzetten voor meerdere kabinetsperioden. We houden u op de hoogte.

Ondernemersvermogen
Tot het ondernemingsvermogen behoren in dit geval onder meer een perceel grond, woning, schuur, loods, jongveestal, ligboxenstal, een (houten) mestsilo, strooiselhok, twee stierenstallen, erfverharding en plaat/sleufsilo’s. De Belastingdienst corrigeert de afschrijvingskosten van het strooiselhok, de erfverharding en de plaat/sleufsilo omdat voor de bedrijfsgebouwen als geheel 50% van de WOZ-waarde is bereikt. In de wet staat immers dat voor de afschrijving de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel worden beschouwd.

Aanhorigheden?
Volgens de ondernemer zijn deze bouwwerken echter geen aanhorigheden. Een bouwwerk is volgens hem alleen dan een aanhorigheid als het onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar is aan het gebouw. Daarom kunnen de bouwwerken gewoon tot de restwaarde worden afgeschreven.

Volgens de Belastingdienst zijn aanhorigheden alle bouwwerken die behoren bij, in gebruik zijn bij en dienstbaar zijn aan het gebouw.

Oordeel rechter
De rechter is het met de Belastingdienst eens. Het gaat er dus niet om of de bouwwerken onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar zijn aan het gebouw. De bouwwerken kunnen in dit geval niet los worden gezien van het bedrijfsproces van de onderneming. De correctie is daarom terecht toegepast.

Tip: Overweegt u te gaan investeren in bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, houd dan voor uw calculatie rekening met de wettelijke aftrekbeperking. We zijn u hier graag bij van dienst.

Zorg voor een fiscaal gelijke behandeling van en basisinkomenszekerheid voor alle werkenden
Het is volgens de Commissie van groot belang om werk fiscaal gelijk te behandelen en de basale risico’s fundamenteel op te vangen, waarmee iedereen die beroepsactief is, kan worden geconfronteerd.

Kom tot lagere lasten op arbeid en een gelijke fiscale behandeling van arbeid
Het is vanzelfsprekend om te kijken in hoeverre de totale belastingen en premies op arbeid verlaagd kunnen worden, zodat werken meer loont en/of goedkoper wordt, waarmee de aantrekkelijkheid van werk kan toenemen.

De verschillende fiscale regimes voor arbeid leiden tot een verschil in lastendruk, waardoor arbitrage tussen de fiscale regimes en de juridische vorm waarin arbeid wordt aangeboden, wordt bevorderd. Vergelijkbare werkenden leveren daardoor ongelijke bijdragen aan de collectieve lasten. De Commissie acht het verder terugdringen van de verschillen op (korte) termijn nodig. In dat kader ligt het volgens de Commissie voor de hand om:

  • de huidige ondernemersfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) volgens een herkenbaar tijdpad spoedig af te bouwen;
  • voor de dga (zijn aandeel in) de winst van de vennootschap onmiddellijk te belasten, zo veel mogelijk als arbeidsinkomen;
  • fiscale faciliteiten voor ondernemers (incl. dga’s) te richten op het in de onderneming aangewende kapitaal in de vorm van een vermogens- of een (algemene) investeringsaftrek.

De Commissie is zich ervan bewust dat deze beleidsrichting tot forse lastenstijgingen leidt voor sommige zelfstandigen (ib-ondernemers en dga’s). Voor kleine zelfstandigen (ib-ondernemers) is deze lastenstijging het spiegelbeeld van ongelukkig fiscaal beleid in de afgelopen decennia. De fiscaliteit is een onhanteerbaar groot onderscheid gaan maken tussen zelfstandige en onzelfstandige arbeid, waardoor werkenden worden gestimuleerd om mede op oneigenlijke gronden (namelijk belastingbesparing) keuzes te maken. De scheefgroei bij dga’s ligt op een ander vlak: zij zijn door fiscale regels in staat gesteld om de progressieve belastingheffing over hun (arbeids)inkomen in belangrijke mate te ontgaan. Een herkenbaar tijdpad  bij de invoering van nieuwe regels geeft deze groepen duidelijkheid over hun fiscale positie en wat zij in de tijd van de overheid kunnen verwachten.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle werkenden
De Commissie adviseert een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle werknemers en zelfstandigen, waaraan iedereen meebetaalt. De contractvorm is dus niet langer bepalend voor het uitkeringsrecht. Gedacht wordt aan een uitkering op het niveau van het bestaansminimum. Deze basisuitkering kan worden aangevuld door maatregelen te treffen op individueel niveau, bij cao, of via een wettelijke regeling. De Commissie stelt voor een wachttijd in te bouwen die qua lengte parallel loopt met de periode waarin werkgevers bij ziekte het loon doorbetalen aan werknemers.

Daarbij zou kunnen worden overwogen ook de re-integratieverplichtingen van de werkgever, naast verkorting van de loondoorbetalingsplicht, minder zwaar te maken, bijvoorbeeld door deze te beperken tot investeringen in de herplaatsing van zieke werknemers binnen het eigen bedrijf (het zogenoemde eerste spoor) en het opzegverbod bij ziekte daarop af te stemmen. Als er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn binnen het eigen bedrijf en die ook niet kunnen worden gecreëerd, zou het dienstverband dan kunnen worden beëindigd. Met deze maatregel worden vooral kleinere werkgevers ontlast.

Uniforme voorwaarden voor pensioenvoorzieningen
Basisinkomensbescherming gedurende de oude dag is georganiseerd met de AOW en eventuele overige aanvullende collectieve (inkomens)voorzieningen (bijvoorbeeld toeslagen). Voor aanvullend pensioen boven de AOW gelden nu afwijkende verplichtingen voor verschillende werkenden. Een in gelijke mate beschermen van werkenden vergt volgens de Commissie aanpassingen in de richting van een gelijk speelveld. Een aanvullende voorziening in het fundament voor alle werkenden, boven de huidige AOW, ligt in de toekomst voor de hand.

Tip: Het kabinet komt uiterlijk 1 april met een reactie. De Commissie heeft overigens lijnen willen uitzetten voor meerdere kabinetsperioden. We houden u op de hoogte.

Oordeel rechter
De hoogste rechter kwam tot het oordeel dat de heffing van box 3 op stelselniveau een schending van het eigendomsrecht vormt indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor deze jaren lager is dan 1,2 procent.

Vraag
De vraag is nu: welke verplichtingen schept het Hoge Raad-arrest voor de wetgever in zaken waarin het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op stelselniveau oordeelt dat het recht op eigendom geschonden is?

Drie deskundigen
De Minister van Financiën heeft hierover advies gevraagd aan drie onafhankelijke juridische deskundigen op het gebied van de toepassing van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

CPB
Bovendien heeft de Minister het CPB gevraagd om, met ondersteuning van DNB, te onderzoeken wat het zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in box 3 in de jaren 2013 tot en met 2016 is.

Termijn
Het deskundigenadvies en de resultaten van het onderzoek van het CPB zullen voor vrijdag 21 februari 2020 worden uitgebracht. De Tweede Kamer ontvangt vervolgens nog dit voorjaar het advies en de resultaten met de kabinetsreactie over de gevolgen van de arresten.

Tip: Het is dus nog even afwachten hoe het kabinet gaat reageren op de uitspraak van de hoogste rechter over de vermogensrendementsheffing in de jaren 2013 tot en met 2016. We houden u op de hoogte.

Ontlast het werkgeverschap en vergroot de manoeuvreerruimte binnen duurzame arbeidsrelaties De arbeidsmarkt van de toekomst vereist dat werkgevers kunnen meebewegen met vraag en aanbod en andere (bedrijfs)economische ontwikkelingen. Momenteel organiseren bedrijven dat vooral via de inzet van flexibele contractvormen

Kortere periode loondoorbetaling bij ziekte
De Commissie adviseert om de civiele loondoorbetalingsplicht en verplichtingen rondom re-integratie te verkorten tot een jaar.

Grotere interne wendbaarheid voor werkgevers binnen duurzame arbeidsrelaties
De werkgever krijgt de mogelijkheid om bij een contract voor onbepaalde tijd de arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen indien bedrijfseconomische omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat daarbij om arbeidsomvang en salaris (tot een bepaald percentage), maar ook op het terrein van functie, werklocatie en arbeidstijden.

Er moeten heldere en toegankelijke wettelijke criteria en waarborgen komen. De werkgever kan binnen deze criteria de werknemer een aanbod tot wijziging van de arbeidsovereenkomst doen en de werknemer dient dit aanbod te accepteren tenzij sprake is van zwaarwegende belangen aan zijn kant. Hiermee wordt deeltijdontslag mogelijk.

Eenvoudiger ontslagbescherming
Als de werkgever de arbeidsovereenkomst van de werknemer wil beëindigen vanwege disfunctioneren, een verstoorde arbeidsrelatie of een andere in de persoon van de werknemer gelegen ontslaggrond moet dat kunnen, tenzij het verzoek verband houdt met een opzegverbod. Indien de kantonrechter oordeelt dat de werkgever geen redelijke grond heeft voor het ontslag dan is de werkgever een vergoeding verschuldigd aan de werknemer.

Minder werkgeverslasten
De Commissie adviseert om te bezien welke regels en verantwoordelijkheden echt noodzakelijk zijn en in hoeverre het werkgeverschap lichter gemaakt kan worden.

Beprijs tijdelijke arbeidsovereenkomsten
Een werkgever kan nu de risico’s rondom een tijdelijk en fluctuerend werkaanbod via flexibele contracten afwentelen op individuele werknemers of op het collectief. De factor arbeid is in feite te goedkoop. De Commissie adviseert te bezien of een premiedifferentiatie naar contractvorm nog duidelijker dan nu afwenteling van de kosten van flexibel werk kan beperken. Ook moet de beloning van de werknemer met een flexibel contract gaan corresponderen met de grotere risico’s die hij draagt. Dat kan in de vorm van een hoger wettelijk minimumloon of een flex-toeslag, een percentage bovenop het loon voor werknemers met een contract voor bepaalde tijd.

Waarborg dat tijdelijk werk echt tijdelijk wordt ingezet
Uit de huidige regeling om (opeenvolging van) tijdelijke contracten te reguleren blijkt onvoldoende dat tijdelijk werk ook daadwerkelijk tijdelijk dient te zijn. Idealiter zou een tijdelijk contract alleen een optie zijn indien de aard van het werk dit rechtvaardigt. Daarom adviseert de Commissie de duur van de huidige ketenregeling, weer te verkorten naar twee jaar, met uitzonderingen voor specifieke sectoren.

De Commissie stelt voor in de definitie van de uitzendovereenkomst toe te voegen dat de werkgever die werknemers ter beschikking stelt aan derden dit doet in het kader van een door hem vervulde actieve allocatiefunctie op de arbeidsmarkt. Ook adviseert de Commissie dat de uitzending naar een specifieke opdrachtgever (inlener) slechts tijdelijk van duur kan zijn en om de maximumtermijn voor opeenvolgende tijdelijke contracten met de  werkgever gelijk te trekken met ‘reguliere’ werknemers (twee jaar).

Ten slotte adviseert de Commissie de mogelijkheden tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten zonder vaste arbeidsurenomvang te beperken. Het moet wettelijk niet langer mogelijk zijn om de loondoorbetalingsplicht uit te sluiten, als er niet wordt gewerkt vanwege een oorzaak die ligt in de risicosfeer van de werkgever. Bovendien dient in elke arbeidsovereenkomst minimaal per kwartaal een vast aantal arbeidsuren overeengekomen te worden met de werknemer, waarover het loon wordt voldaan (met de eis van loonspreiding). Beide maatregelen gelden zowel voor ‘reguliere’ oproepcontracten als voor uitzendovereenkomsten.

Tip: Het kabinet komt uiterlijk 1 april met een reactie. De Commissie heeft overigens lijnen willen uitzetten voor meerdere kabinetsperioden. We houden u op de hoogte.

Hoofdelijk aansprakelijk
De rechter stelt voorop dat ieder van de bestuurders van een lichaam hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting verschuldigd door dat lichaam. Dus ook de voorzitter.

Melding betalingsonmacht
Het lichaam moet onverwijld nadat gebleken is dat het de loonbelasting niet kan betalen, daarvan mededeling doen aan de ontvanger. Er is in dit geval geen melding betalingsonmacht gedaan. Dan is een bestuurder aansprakelijk, tenzij hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet heeft gemeld.

Voorzitter blijft te passief
De voorzitter voert aan dat hij aan de directeur van de stichting meermalen inzage heeft gevraagd in de gang van zaken rond de Stichting waaronder de financiële administratie, maar dat hij steeds werd gerustgesteld met de mededeling dat alles goed ging. Na signalen dat het toch niet goed ging, heeft de voorzitter geadviseerd een manager en een accountant in dienst te nemen. Dat heeft de directeur niet gedaan.

Volgens de rechter betekent het aanvaarden van de functie van bestuurder van een Stichting dat men moet handelen als redelijk handelend bestuurder. En daarvan was hier geen sprake.

De voorzitter wist niet wie de financiële zaken van de Stichting regelde. Ook wist hij niet wie de boekhouding deed. Evenmin wist hij hoeveel personeel er in dienst was en wie werd aangenomen of ontslagen. Tijdens zijn voorzitterschap is hij nooit op het kantoor van de Stichting geweest. Hij zat  vaak in het buitenland en nam genoegen met globale mondelinge informatie van de directeur, zelfs nadat duidelijk werd dat deze informatie onjuist was. De voorzitter heeft zorg geuit en adviezen gegeven, maar zijn bevoegdheden niet gebruikt om deze veranderingen te stimuleren of om de directeur te dwingen hem correct te informeren. De voorzitter heeft vanaf het begin de keuze gemaakt zich als bestuurder nagenoeg volledig afzijdig te houden.

Dit betekent dat de voorzitter zich niet kan verschuilen achter de directeur, met hem gemaakte afspraken en diens eventuele kwade bedoelingen. De afzijdige houding van de voorzitter heeft eventuele kwade intenties van de directeur juist mogelijk gemaakt.

Daarom is de voorzitter terecht aansprakelijk gesteld voor de loonbelasting.

Andere bestuurders niet aansprakelijk gesteld
De voorzitter voert nog aan dat het onevenredig en willekeurig is, dat alleen hij en niet andere bestuurders aansprakelijk zijn gesteld. Maar volgens de Belastingdienst zijn de andere bestuurders niet aansprakelijk gesteld omdat zij geen verhaal leken te kunnen bieden. De rechter gaat hierin mee. Wel heeft de voorzitter de Belastingdienst getipt dat een van de bestuurders vermogen in het buitenland zou hebben. Hier wordt onderzoek naar gedaan. Als blijkt dat ook die bestuurder verhaal biedt, zal hij zeker aansprakelijk worden gesteld.

Let op: Bestuurder worden van een stichting kan een vriendendienst zijn, of een persoonlijke bijdrage aan een ideëel doel van de stichting. Op basis van de wet bent u echter medeverantwoordelijk en riskeert u persoonlijke aansprakelijkheid.

De rechter komt eraan te pas. Die stelt vast dat de gehele woning in 2016 voor mevrouw een eigen woning vormt. Ook stelt de rechter vast dat mevrouw haar ex-partner begin 2017 heeft uitgekocht, waarbij de ex-partner door de hypotheekverstrekker is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Twee schulden
De hypotheekschuld staat sinds begin 2017 geheel op naam van mevrouw en is opgebouwd uit twee delen: (1) de schuld die reeds aan haar toekwam, de helft van de bestaande hypotheekschuld en (2) het deel van de schuld dat ziet op het uitkopen van de ex-partner. Het deel van de schuld genoemd onder (1) is aflossingsvrij, het deel genoemd onder (2) betreft een annuïtaire aflossingsvorm waarbij de schuld in dertig jaar geheel wordt afgelost.

Aflossingseis
Maar, de rechtszaak gaat over de aangifte 2016. Sinds begin 2013 staat in de wet de zogenaamde aflossingseis. Hypotheekrente is alleen aftrekbaar als in de leningsvoorwaarden een verplichte aflossing, tenminste annuïtair over maximaal 360 maanden, is overeengekomen. Deze eis geldt niet voor schulden die op 1 januari 2013 al bestaan.

De hypotheek is in 1997 afgesloten en geheel aflossingsvrij. Deze gaat mevrouw voor de helft aan. Voor deze helft is, omdat de schuld voor 1 januari 2013 al bestond, de rente-aftrek niet in discussie.

Nieuw aflossingsvrij deel
Maar mevrouw heeft na 1 januari 2013 een nieuwe schuld op zich genomen, het aandeel van haar man in de oorspronkelijke schuld. Deze schuld voldoet in 2016 (nog) niet aan de aflossingseis. De formaliteiten rond het wijzigen van de hypotheek (het overzetten van de gehele hypotheek op naam van mevrouw, het ontslaan van de ex-partner uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid en het wijzigen van het voorheen aan de ex-partner toekomende deel van de hypotheekschuld van de aflossingsvrije vorm in een in 360 maanden annuïtair af te lossen hypotheek) hebben immers pas in januari 2017 plaatsgevonden. Daarom heeft mevrouw in 2016 slechts recht op aftrek van 50% van de hypotheekrente.

Tip: De fiscale regels rond echtscheiding zijn zeer gecompliceerd, zeker als er een eigen woning met hypotheekschuld in het spel is. Tijdig advies is raadzaam. We helpen u graag.